Blue Flower

 

Op deze pagina:

 

 

Preposities

 

Preposities zijn woorden zoals op, in, onder, boven, tussen ...

 


Oefeningen

 

  1. De Dalai Lama
  2. Atletiekkampioenschap
  3. Blokbeest
  4. Damiaan
  5. Groendienst
  6. Zaventem
  7. De oliecrisis
  8. Mijn tweedehandsauto

 


 

Niet en Geen 

 


Theorie

 

Wanneer gebruik je NIET of GEEN?

 

Dit is een samenvatting van de theorie.   Wil je meer info, kijk dan in een grammaticaboek.

Een substantief maak je negatief met GEEN

 

  • bijv.:  Ik heb geen vrienden.

 


Een adjectief + substantief maak je negatief met GEEN

 

bijv.:  Ik heb geen Marokkaanse vrienden.

 

 

 

Behalve: substantieven met 'veel' of 'weinig'

 

  • bijv.: Ik heb niet veel vrienden.

 

Andere woorden maak je negatief met NIET

 

  • bijv.:  Mijn vrienden zijn niet oud  (oud: adjectief)
  • Ik ga vanavond niet uit.  (uitgaan: werkwoord)

 

 

 

Behalve:  niet + specifiek substantief: je legt de nadruk op NIET

 

  • bijv.:  Niet deze cursus, maar die is de belangrijkste.

 

Behalve:  geen + een getal

 

  • bijv.:  Ik heb geen 40 euro.   Het is nog geen vijf uur.

 

Behalve:  niet + onbepaald pronomen

 

  • bijv.:  Niet iedereen begrijpt de theorie.
  • Niet alles draait om geld.

 





Oefeningen
 

 

  1. Een baaldag
  2. Fred Deburghgraeve

 


 

De en Het

 


Theorie

 

  1. Lijst van alle HET-woorden
  2. Wanneer gebruik je het artikel?

 



Oefeningen

 

  1. De eerste wereldoorlog in België
  2. De Big Mac
  3. Het potlood
  4. Surrealisme

 


 

Het artikel 

 


Het gebruik van het artikel is voor veel SAMmers niet zo gemakkelijk. Hieronder volgt een klein overzichtje.   Meer info vind je wel in een grammatica.

Je moet wel volgende grammaticale termen begrijpen:

specifiek: dit wil zeggen dat je precies weet over wie of wat je het hebt
singularis: enkelvoud, één
pluralis: meervoud, meer dan één
substantief: een DE of HET woord
ontelbaar: je kunt er geen getal voor zetten

 

Welke artikels gebruik je bij gewone substantieven
(zelfstandige naamwoorden)?

 


specifiek telbaar singularis:  de / het

 

bijv.: De man die daar staat, is mijn vader.
         Het boek dat hij leest is van mij.

 

niet-specifiek telbaar singularis:  een

 

bijv.: Er staat een man voor de deur.
         Hij heeft een boek in zijn hand.

 


specifiek telbaar pluralis:  de

 

bijv.: De mannen van de voetbalclub organiseren een feest.
         De boeken in de bibliotheek mag je uitlenen.

 

niet-specifiek telbaar pluralis:  geen artikel

 

bijv.: Mannen roken meer dan vrouwen.
         Boeken zijn duur.

 


specifiek ontelbaar:  de / het

 

bijv.: De hulp van mijn man is onmisbaar.
         Het voedsel was besmet.

 


niet-specifiek ontelbaar:  geen artikel

 

bijv.: Ik riep om hulp.
         Er is een tekort aan voedsel.

 

Welke artikels gebruik je als je het hebt over een soort?

 


singularis voor een soort:   de / het

 

bijv.: De auto is sneller dan het paard.

 

pluralis voor een soort:   geen artikel

 

bijv.: Auto's zijn sneller dan paarden.



 

Afkortingen 

 


Theorie
 

 

1. Afkortingen 

 


- Je spreekt ze uit als originele woorden of als letters

- Je zet meestal een punt achter een afkorting. Je zet een hoofdletter als in het volledige woord ook een hoofdletter staat, bijvoorbeeld bij afkortingen van namen.
bijv.: ir. (ingenieur) Dr. (doctor)

- Je zet geen punt achter afkortingen die vaak gebruikt worden.
bijv.: tv, btw, cd-rom

- Je zet geen punt achter internationale symbolen van maten, gewichten, scheikundige en natuurkundige symbolen
bijv.: cal (calorie), min (minuten), W (Watt, van de naam Watt dus hoofdletter)

- Je gebruikt soms hoofdletters bij munteenheden, soms niet
bijv.: DM, euro

- Geen punt achter wetenschappelijke symbolen en afkortingen afgeleid van een naam.
bijv.: BEF (Belgische frank) FF (Franse frank)
W (Watt: dit symbool is afkomstig van een naam)

- Je zet geen punten in afkortingen die bestaan uit de beginletters van namen
bijv.: EG, IMF

 

 

 

2. Letterwoorden (Acroniemen)

 


- Je spreekt ze uit als woorden.

- Je gebruikt geen punten.
bijv.: Alcatel Bell, Vara

- Gebruik hoofdletters als het om een naam gaat, anders niet. Je kunt alle letters als hoofdletters zetten, of alleen de eerste.
bijv.: aids, SABENA, Sabena

 

 

 

3. Verkortingen 

 


- Je laat een deel van het woord vallen.
bijv.: prof / professor